Bijbelstudie, Geschiedenis, Joden, Levenskwesties, Mensdom, Religiositeit + Wijze van Geloofsuitdrukking, Taal & Woordverklaringen

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #7 Geslachtslijst der Kaïnie­ten

15 Maar Jahweh zeide tot hem: ,,’Neen’:

Ieder die Kaïn vermoordt: zal zevenvoudig boeten!”

En Jahweh stelde voor Kaïn een kenteken in; daardoor werd verhinderd dat iemand die hem vinden zou hem doodsloeg.

16 Daarna trok Kaïn zich terug van het aanschijn van Jahweh, en vestigde zich in het land Nod, ten Oosten van Eden.

17 Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw; zij werd zwanger en baarde Chanok. Hij werd de bouwer van een stad, en noemde die stad naar zijn zoon Chanok.

18 Aan chanok werd Irad geboren. Irad verwekte Mechoejaël, ‘Mechoejaël’ verwekte Methoesjaël, en Methoesjaël verwekte Lemek. 19 Lemek nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de tweede heette Silla. {BvhOT Gen 4:15-19}

Na Gods bescherming gekregen te hebben ging Kajin weg van de Eeuwige en vestigde zich in het land ten Oosten van Eden. De vage localisatie (ergens ver weg ten oosten van het paradijs) en de betekenis van de naam Nod (,,zwerversland”, waar Kaïn nâd, ,,vagebond” is) wijzen op de innerlijke onrust van de broedermoordenaar (de Tg van Palestina leest be’eres nã’wãnãd). Kaïn onttrekt zich aan de gemeenschap waar Jehovah vereerd wordt (,,aan het aanschijn van Jahweh”); ook hier is de beschrijving van Kaïns wroeging onverenigbaar met de allereerste mensheid (er is bezwaarlijk sprake van vrees voor dieren of voor… prae-Adamieten, zoals men soms beweerd heeft).

Verdere lotgevallen der Kaïnieten, 4:17-24.

Theologisch gezien, is de sage van de oude broedermoordenaar Kaïn voorgesteld als een exemplarische geschiedenis. Het voortschrij­den der cultuur (de kanaänitische stadscul­tuur!) werkt de voortwoekering der zonde in de hand.

De vermelding van de (als bekend veronderstelde) vrouw van Kaïn (volgens Jub 4,9 heette ze Awan) bewijst eens te meer dat ook het perspectief van dit tweede Kaïnverbaal niet overeen te brengen is met dat van Gn 2-3 (men kan bezwaarlijk ver­wijzen naar voorbeelden van huwelijken met halfzusters, als 20,12; 2S(n 13,13). De naam van Kaïns zoon, Chanok (,,inwijding”, vgl. het Chanoekkafeest, in verband met de in­wijding van de tempel onder Judas de Mak­kabeeër), komt ook voor in een dan van Midjan (25,4; 1Kr 1,33) en van Ruben (46,9; Ex 6,14; Nm 26,5; 1Kr 5,13). Het bouwen van een stad, d.i. een versterkte ves­ting (vgl. 1Sm 30,29), is niet overeen te brengen met het voorgaande verhaal, waar Kaïn als ,,zwerveling” optreedt (4,12b en 14b). Misschien zou men kunnen zeggen dat Kaïn reeds te voren, vóór de broeder­moord, over een soort versterkt verzamel­punt beschikte (aldus reeds Cajetanus), zoals de huidige Arabische nomadenstammen bezitten (J. Halévy, Rev. des Etudes juives 14, 1887, 12); doch deze hypothese over een soort asielstad strookt niet met de context, waar blijkbaar sprake is van een vol­waardige (kanaänitische) stadscultuur, bron van zedenbederf en zedenverwildering.

In verzen 18-19 krijgen we een geslachtslijst der Kaïnie­ten.

Deze korte genealogie van J bevat slechts weinige namen. Er wordt verteld dat Chanoch of Chanok ook een zoon kreeg welke hij de naam “Irad” gaf. Irad (een judees geslacht in #1Ch 4:18) houdt misschien verband met de term carôd (“wilde ezel”; vgl. ook Jared in de Sethietenlijst van #Ge 5:18); er bestaat ook een stad Arad in de Negeb (#Jdc 1:16). Mechoejaël betekent “God doet leven” (vgl. Mahalalel in #Ge 5:15); deze naam komt ook voor als judese geslachtsnaam (#Neh 11:4). Methoesjaël (Mechoejaël en Mechijaël Methoeshaël en Methoeshaël ) is “de man die aan God behoort” [vgl. Methoesjelach in (#Ge 5:25); ook in het akkadisch betuigd: mutu-sa-ilu]. Lemek houdt verband met de titel lamga, die aan de sumerische godheid Ea, de patroon der muziek, gegeven wordt (vgl. de Sethiet Lemek in #Ge 5:28). Of moet men denken aan het arab. lâmaha, “kneden”, “verdrukken”?

Volgens sommigen is de uitdrukkelijke vermelding van de twee vrouwen mogelijk een teken dat het monogame huwelijk voor de gewijde schrijver normaal is (2,24); pas later zal op een beperkte wijze bigamie wettelijk worden toegestaan (Dt 21,13-30; Lv 18,6-20; Jr3,6; Ez 23). De naam Ada (,,sieraad”) wordt ook gedragen door een vrouw van Esau (36, 2). Silla (,,de donkere”, of ,,de schaduw”) kan betekenen ,,de bescherming” of ,,de troost”, maar ook wijzen op het feit dat die vrouw steeds in de schaduw leefde (bij wijze van spreken) of als de mindere werd aanschouwd.

+

Voorgaande:

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #1 Bereshith 4:1-6 Twee broers en hun offers

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #2 Bereshith 4:3-7 Aanleiding tot broedermoord

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #4 Bereshith 4:9-16 Straf voor de broedermoord #1 Bereshith 4:9-12 Bestraffing

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #5 Bereshith 4:9-16 Straf voor de broedermoord #2 Bereshith 4:13-14 Bewustwording van straf

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #6 Bereshith 4:9-16 Straf voor de broedermoord #3 Bereshith 4:15-16 Kenteken ter bescherming

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.