Bijbelstudie, Levenskwesties, Religiositeit + Wijze van Geloofsuitdrukking

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #2 Bereshith 4:3-7 Aanleiding tot broedermoord

Wij zagen dat in de eerste twee verzen van hoofdstuk 4 melding wordt gemaakt van de mens die gemeenschap had met Chavah, zijn vrouw, die daardoor zwanger werd en een kind kreeg dat zij de naam Kaïn gaf. Die naam houdt in dat zij hem aanzag als de “Kajin” of “Verworvene” Want zij zei

,,Een man heb ik verworven door de Eeuwige.”

Later kreeg deze verworvene zoon een broer – Hevel (Hewel) of Abel.

Toen na verloop van enige tijd Kaïn van de voortbrengselen van de aarde een offer aan de Eeuwige bracht dat meer in de gading van de Elohim viel dan Abel welke een offer bracht van eerstelingen van zijn kleinvee en wel van de vetsten ervan.

3 Na verloop van enige tijd bracht Kaïn van de vruchten van de grond een offer aan Jahweh. 4 Ook Abel bracht een offer, maar van de eerstgeborenen van zijn schapen, en wel van hun vet. En Jahweh sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Daardoor werd Kaïn hevig vertoornd en liet hij het hoofd hangen. 6 Nu zei Jahweh tot Kaïn:

,,Waarom zijt gij vertoornd en waarom laat gij het hoofd hangen? {BvhOT Genesis 4:3-5}

Het hier in verzen 3 tot en met 7 verhaalde vond plaats ,,na verloop van enige tijd” (d.i. geruime tijd later, toen Abel en Kaïn groot geworden waren; vgl. voor de formule: 8,6 J); volgens sommige exegeten (Junker) moet men denken aan ,,het einde van het jaar” (een liturgische tijdsbepaling). Ofschoon J de volkstraditie over het ontstaan van de cultus in het midden schijnt gelaten te hebben, is het voor hem ondenkbaar dat er een godsdienst zou bestaan zonder offers (in tegenstelling met P). Kaïns offer was onbloedig, want hij bebouwde de ‘adamah, waarvan de eerstelingen aan God moesten worden opgedragen (Ex 23,19; Nm 18,12); vaak betekent de term minbhãh (,,gave”) een offer van veldvruchten (Lv ; 1Kg 18,39).

De eerstgeborenen (eerstelingen van de mannenkracht: 49,3) van de kudde behoren aan Jehovah (Ex 34,19; 22,28; Nm 18, 17; Ex 13,2.11-13; Spr 3,9); dus geeft Abel het beste wat hij bezit om Gods heerschappij te erkennen en zichzelf aan God toe te wijden. Een andere eigenschap van het volkomen offer is de aanbieding van het ,,vet” (heleb of hãlab; Lv 3,16; 7,25.31); hiermede bedoelde men de vetste stukken (Lv 3,3; Nmi8,i7; 1Sm2,16; Is 1,11: als een »heerlijk geurend offer voor Jahweh”), of­wel de beste (Is 25,6; Ps 20,4), ofwel de voortreffelijkste offerdieren (Philo, De sacr. Abel en Caïni 27), ofwel tea slotte de ,,melk” (Procksch, na Flav. Jos., Ant. 1, 2, 1 § 54, ziet hierin het oeroude nomadenoffer). Jahwehs ,,neerzien” of ,,acht slaan” (Ex 5,9 J), d.i. zijn genadige aanvaarding (vgl. de Canon der H. Mis) wordt proleptisch (vgl. VS 7) getekend. Men hoeft niet (met Theodotion veew81’; ook Hiëronymus en Rasji) te denken aan een ,,in brand steken van het offer” door Jahweh (iKg 18,38: Elias; zie nog Lv 9,24; Jdc 6,21; 13, 19; xKr 21,26; 2Kr7,I: Salomon; 2Makk 2,10v). Over de voorstelling dat de rook van Abels offer in de hoogte verdween (in tegenstelling met dat van Kaïn, waarvan de rook naar beneden sloeg), staat niets in de tekst.

Vers 5: Het feit van Jehovahs afkeuring van Kaïns onbloedig offer (minbah; Am 5,22; Nm 16,15) wordt niet uitgemaakt door ,,ingewanden-waarzeggerij” (extispicium; aldus Gunkel). Het is trouwens niet duidelijk, waarom de Elohim Kaïns offer niet aanvaardt: de oude joodse overlevering dacht aan een tekort in de rituele voltrekking (vgl. VS 7 LXX: gemis aan behoorlijke ,,verdeling”); anderen menen dat het vergieten van bloed essentieel tot het offer behoort (Lv 17,11; Hb 9,22: alleen het bloed bewerkt verzoening).. De beste verklaring lijkt te zijn, dat de verkeerde intentie (de egoïstische instelling) Kaïns offergezindheid vergiftigt; het mangelde hem aan geloof, interpreteert Hb 11,4 (zie 1Jo 3,12), terwijl Jehhovah ,,naar het hart” (de intentie) kijkt (1Sm 16,7). God laat zich nooit door een louter uitwendige offerpraktijk ,,dwingen” (Ps 50,9; Ex 33,19). Misschien heeft men hier in de grond te doen met een oude polemiek tegen de kananitische landbouwcultuur met haar naturistische godsdienst, en met een op-hemeling van het nomadische leven; ook het bekende thema van de eerstgeborene die verworpen wordt (25,31; 29,32; Dt 21,17) kan een rol gespeeld hebben (vgl. Ismaël, Esau, Ruben, Manasse). Kaïn is hevig vertoornd (lett.: ,,zijn neus brandt”; vgl. 30,2; 39,19; 44,18; Is 5,25; Os 8,5; Ps 106,40; 124,3; hier, zoals ook in 18,30,32 ontbreekt het substantief ,,neus”); hij laat zijn hoofd hangen (lett.: ,,zijn gelaat valt in”; vgl. 1Sm 1,18; Jr 3,12); misschien is er sprake van afgunst (vgl. ons nederlands: ,,hij laat zijn lip hangen”; Van Tichelen).

6 Nu zei Jahweh tot Kaïn: ,,Waarom zijt gij vertoornd en waarom laat gij het hoofd hangen?

7 Als gij het goede doet, wordt uw hoofd verheven; maar doet gij het goede niet, dan loert de belager, de zonde, aan de deur. Zijn begeerte gaat naar u uit, maar gij zult over hem heersen”. {BvhOT Genesis 4:6-7}

Vers 6 Jahweh (de vorm van zijn verschijning wordt niet aangegeven; is er sprake van een droom of van een visioen?) poogt Kain tot betere gevoelens te brengen (Ez 18,23); de verwerping is zeker niet definitief.

Vers 7 De verheffing van het hoofd (Je)ët, infin. van nã´sä’) symboliseert ofwel de aanvaarding van het offer (Vg: recipies; misschien werd ti´s´s’a’ gelezen), ofwel de verhoring of de vergiffenis (Tg van Onkelos), eerder dan ,,het opdragen” (van een volwaardig offer). De term gaat blijkbaar terug op de uitdrukking nã´sã’’ painim, wat niet betekent: ,,het hoofd vrij opheffen” (als teken van een goed geweten; Kaïns hoofd was gebogen), maar duidt op het opbeuren van het hoofd (de kin) van een smekeling door diegene die hem genadig bejegent (vgl. 32,21; Jr 3,12; Job 11,15; Ps 4,7;Mal 1,8v).

De gedachte is dus:

,,als uw inzicht zuiver is, dan wordt uw offer genadig aanvaard”.

In het tegenovergestelde geval (dat van Kaïn) wordt de onjuist ingestelde offeraar belaagd en beloerd door de daemon-zonde (akkad. râbisu, sumer. utug; de akkadische naam klinkt door in het hebr. deelwoord röbës, ,,beloerende”, dat in het mannelijk staat, ofschoon het onderwerp battã’t vrouwelijk is). Het beeld is dat van een vervaarlijk monster, dat aan de ,,deur” (de tentopening; Spr 9,14) van het hart (Job 31,9) op de loer ligt (in de Amarna­brieven heten de inspecteurs der kananitische koninkjes eveneens râbisu). De daemon-zonde (vgl. de slang in 3,1; of de briesende leeuw in 1Pt 5,8) is gedreven door de begeerte (vgl. 3,16) om Kaïn totaal te beheersen; maar dit heft de verantwoordelijkheid van de bekoorde mens niet op; hij is altijd in staat weerstand te bieden (dit vs zou een protest zijn tegen 3,16; zo P. Haupt). Volgens een recente verklaring (Castellino) zou de schakering van het laatste versdeel ,,maar gij zult over hem heersen” eerder vragend zijn:

,,Zijt ge zeker te kunnen weerstaan?”

+

Voorgaande:

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #1 Bereshith 4:1-6 Twee broers en hun offers

Volgende: Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord

+++

Gerelateerde artikel

  1. Luistert God selectief?
Advertenties

5 gedachten over “Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #2 Bereshith 4:3-7 Aanleiding tot broedermoord”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.