Bijbelstudie, Geschiedenis, Levenskwesties, Mensdom

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #1 Bereshith 4:1-6 Twee broers en hun offers

4:1 De mens had reeds gemeenschap met zijn vrouw Eva gehad; zij werd zwanger en baarde Kaïn, en zij zeide:

,,Ik heb verworven, een man, op Jahweh!”

2 Vervolgens baarde zij Abel, zijn broer. Abel werd schaapher­der, terwijl Kaïn landbouwer was.

3. Na verloop van enige tijd bracht Kaïn van de vruchten van de grond een offer aan Jahweh. 4 Ook Abel bracht een offer, maar van de eerstgeborenen van zijn schapen, en wel van hun vet. En Jahweh sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Daardoor werd Kaïn hevig vertoornd en liet hij het hoofd hangen. 6 Nu zei Jahweh tot Kaïn:

,,Waarom zijt gij vertoornd en waarom laat gij het hoofd hangen?

Als gij het goede doet, wordt uw hoofd verheven; maar doet gij het goede niet, dan loert de belager, de zonde, aan de deur. Zijn begeerte gaat naar u uit, maar gij zult over hem heersen”. {Bereshith of Genesis 4:1-6 BvhOT}

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten

In het vorige hoofdstuk van de Bereshith of het boek over het Begin konden wij zien welke een groot gevolg de verkeerde keuze van de mens teweeg bracht. Ook al zijn zij verbannen uit de Gan Eden houden de Chavah en haar partner zich aan de gekregen opdracht op de aarde te laten bevolken. Met de geboorte van haar kinderen wordt zij terecht de “Moeder van alle levenden” en laten God en zij ons zien hoe wij in staat kunnen zijn om leven te schenken.

Dit hoofdstuk vertelt verder niet over alle kinderen maar richt zich op twee broers. Dat zij niet alleen waren kunnen wij halen uit de angst die Kaïn vertoont na zijn verschrikkelijke daad, het leven te ontnemen van zijn broer. Anderen kunnen hem eventueel doden (vs 14), alsook horen wij dat hij een teken krijgt ter bescherming in de gemeenschap in wiens schoot hij leeft (vs 15).

Het verhaal slaat, etnografisch gezien, op een totaal andere periode als het inkledingsraam van hoofdstukken 1-3 van de Bereshith. Volgens sommigen is er hier blijkbaar sprake van een gevestigde oppositie tussen herders en landbouwers. Theologisch gezien dient de nog goed herkenbare stamsage als illustratie van het gekoofsinzicht dat de zonde tegen God uitloopt op de zonde tegen de broeder (Sir 7:11v; Mt 22:40).

Wij krijgen te horen waar het in het leven op aan komt. als wij het goede doen kunnen wij met opgeheven hoofd door het leven gaan. Maar als wij het verkeerde doen zullen wij ons schamen en zullen wij redenen aanvoelen om ons te verbergen. zoals het in de Gan Eden verkeerd ging door de eigenzinnige keuze van de eerste mensen, heeft elke mens de mogelijkheid om goed te blijven doen maar eveneens om de verkeerde kant op te gaan en slecht te doen.

De belager is niet een werkelijk specifieke persoon, maar is het gevoelen of de drang naar de verkeerde keuze welke ons tot averah of chattat brengt. Verder zullen wij kunnen zien dat de ene chet of zonde weer aanleiding zal kunnen geven om in verdere zonde te vervallen. Aldus zal de uit het paradijs verdreven mens de zonde als een lawine voelen aanwassen.

De broedermoord, 4,1-16. #1. Inleiding, 4,1-2.

4.1,. Men kan wellicht beter vertalen door het plusquamperfectum:

,,Adam had reeds zijn vrouw Eva gekend”.

Adam staat hier met het lidwoord (,,de mens”). Met ,,kennen” wordt de intieme huwelijkservaring bedoeld (29,25, waar Jakob ’s morgens bemerkt ,,dat het Lea was”); de eerste gemeenschap der gehuwden heeft dus niet noodzakelijk buiten het paradijs plaats gehad; het huwelijksleven gaat gewoon door, zoals het reeds in de tuin van Eden begonnen was (God keurt het dus niet af). De naam Kaïn wordt gegeven door de moeder (JE; terwijl bij P de vader dit doet: 21,3). Volksetymologisch houdt de naam Kaïn verband met een soort orakel-uitspraak, waarin qãniti betekent: ,,ik heb verworven”; het ww. qãnãh beduidt ,,kopen” (25,10; Is 11,11; Spr 20, 10) of ,,bezitten” (Spr 8,22), soms ,,scheppen” (14,19: qönëh; de oegaritische godin Asirtu heet qnit ‘lm, ,,die de goden schept”). Volgens de wetenschappelijke woordafleiding houdt de term qajin verband met de wortel qün (,,smeden”; vgl. arab. qainun, ,,smid”, tevens de naam van een sabeïsche godheid); men kan vergelijken met Kenan (5,12) of met qajin, ,,lans” (2Sm 21,16). Het mannelijk kind (Job 3,3; Jr 20,15) is zeer welkom. Het wordt verkregen ,,vanwege Jahweh”. Het partikel ‘ët betekent niet ,,met de hulp van” (vgl. Est 9,29; Jdc 8,7; aldus E. König, ZAW 30, 1912, 22-32), zodat men een polemiek tegen de kananitische natuurgod­heden zou moeten veronderstellen, wier hulp Eva eerst zou ingeroepen hebben (Coppens); er is eenvoudig sprake van de oorsprong (Tg Onkelos expliciteert correct mê’et). Het heeft geen zin te vertalen alsof ‘ët ,,nota accusativi” was (K. Budde, ZAW 29, 1911, 147 en 30, 1912, 120-22:,,Ik heb Jahweh als man bekomen”) of in ‘ët het voorzetsel met te zien (Ehrlich: ,,Met mij is Jahweh”) of de tekst te corrigeren in ‘öt jhwh (de Boer: ,,man met het Jahweh-teken”; zie ZAW 30, 1912, 121v). De nakomelingen van Kaïn zijn waarschijnlijk de ,,Kenieten” (Jdc 1,16; 4,II Nm 24,22; 1Sm 15,6; 27,10); Zo wordt aanvaard sinds Stade (ZAW 12, 1894, 250) ; deze qëni zijn misschien een afdeling van de Midjanieten (vgl. Ex 2,16; 3,1 en Nm 10,29 met Jdc 1, 16; 4,11). De oorspronkelijke Kaïn-sage (de historische ondergrond van de volksoverlevering) wilde waarschijnlijk het zwerversbestaan van deze nomadenclan aetiologisch verklaren, maar de theologische reflexie van J heeft in de geschiedkundige exis­tentie der Kenieten iets oermenselijks gezien, dat voor alle mensen exemplarisch is, en dus samenhangt met Gn 2-3. In de historische tijd vormden de ,,Rekabieten” (Jr 35) de laatste overlevenden van de stam der Kenieten (1Kr 2,55). Deze Rekabieten, ofschoon niet tot de ,,zonen van Israël” behorend, stonden niettemin bekend als vurige Jahwehvereerders (2Kr 10,15; Jr35,19; Nm 10,32).

4.2 Soms meent men dat er sprake is van een tweeling (Beresit Rabba; Procksch; Gunkel), alsof er stond:

,,ze ging door met baren”;

ook in 38,5 kan men een afstand tussen de twee zwangerschappen veronderstellen. De naam hebel (Job 7,16) wordt volksetymologisch verklaard als ,,ademtocht, nietigheid” (Pred. 1,2) ; maar gaat met meer waarschijnlijkheid terug op het akkad. aplu (,,zoon”), eerder dan op het arab. abbal (,,kameelherder”; want Abel hoedt kleinvee, sõ’n). Volgens anderen (Procksch, Gunkel) vormt de term een variant op jabal (het syrische habala betekent kudde). In feite gaat het om een verpersoonlijkte levenswijze: Abel is half sedentair, terwijl Kaïn in dat opzicht reeds volledig gelijk geworden is aan de Kanaänieten. Voor het bewustzijn van de Israëlieten waren de volken één met hun stamvader (vgl. 10,4: de Kittiërs, ,,zoon van Jawan”;Os 12,3v: het israëlitische volk en Jakob). Kaïn bebouwt het land (3,17).

Er wordt geen melding gemaakt van het baren van vrouwelijke wezens omdat het in essentie niet van belang is voor de verhaallijn of voor verdere verduidelijking van het aangroeiend mensenras. Adam en Eva leefden lang genoeg (900 jaar) en konden meermaals kinderen krijgen. De Schrift vertelt ons ook dat nadat hij Seth verwekt had, Adam nog achthonderd jaar leefde en nog zonen en dochters kreeg (Gen 5:4).

+

Voorgaande:

Bereshith 4-11 Het Schakelgenre

Vervolg

Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #2 Bereshith 4:3-7 Aanleiding tot broedermoord

 

+++

Gerelateerd

  1. Luistert God selectief?
Advertenties

4 gedachten over “Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #1 Bereshith 4:1-6 Twee broers en hun offers”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.