Geschiedenis, Levenskwesties, Mensdom

Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft + Cherubs en verjaging uit de Gan Eden

20 De mens noemde zijn vrouw Eva; want zij is de moeder geworden van al wat leeft. 21 En Jahweh God maakte kledingstukken van vel voor ‘de’ mens en zijn vrouw, en bekleedde hen.
22 En Jahweh God zeide: „Zie, de mens is, wat de kennis van goed en kwaad betreft, geworden als een van ons. Ik wil verhinderen dat hij zijn hand uitstrekt om nog iets te plukken van de boom des levens; door daarvan te eten, zou hij eeuwig blijven leven!” 23 Dus joeg Jahweh God hem weg uit de tuin van Eden, om de grond te bebouwen waarvan hij genomen was. 24 Dus verdreef Hij de mens, en stelde ten oosten van de tuin van Eden de keroebs en de vlam van het wentelende zwaard op, om de weg naar de boom des levens te bewaken.

Hier wordt er aangegeven dat de mannin “Eva” het algemene moederschap krijgt van „alle levenden”. Uit haar zou het hele nageslacht ontstaan.

In de volksetymologie houdt de naam hawwah of Chavah (Eva) verband met het ww. hawah ( = hajah, „leven”), misschien in de piël „doen leven” (Vetus latina: vita); op slot van rekening zou Eva dus betekenen: „genitrix”, „de barende” (18,10.14; iKg4,i7) (J. Halévy, Le nom d’Eve, Journal Asiatïque X, 2,19O3/ 4, 522-24). Volgens de wetenschappelijke etymologie houdt hawwah wellicht verband met het sumer. ama, of met de phenicische godinnennaam Hawat (de moeder-aarde), of met het arabïsche hajjatun („slang” ; vgl. aramees bewja’ of Dn 7,3: hëwa’, „dier”; H. Gressmann, Archiv f. Rel. wiss. 10,1907, 359). Dat Eva „moeder van al wat leeft” is, wordt soms ook verklaard, als gold het een troost of een vergoeding voor het verlies van de persoonlijke onsterfelijkheid; doch een dergelijke opvatting strookt niet met de weinig individualistisch ingestelde oudoosterse levensbeschouwing. Het lijkt verkieslijker, te denken aan een bedekte aanduiding van het erfelijk karakter der zondestraffen; deze overgeërfde straf veronderstelt een schuldtoestand, die op zijn beurt een zondige oerdaad vooropzet (in deze zin kan men gewagen van een „erfzonde” van de „eeuwige mens”). Hierbij moet men wel verstaan dat geboorte en dood altijd in de mens gelegen waren en nog steeds er in liggen. Eva, zowel als Adam, maakt een corporatieve persoonlijkheid uit, wier enige zondige daad in den beginne reeds al de verdere boosheid van „alle levenden” bevatte.

Elk levend wezen was geschapen door de Elohim met de vrijheid van keuze te maken. De eerste mens heeft spijtig genoeg haar keuze aangewend om in verzet te gaan tegen God.

Vers 21 is ook tamelijk geïsoleerd; soms schrijft men het toe aan P (E. Richter, ZAW 16, 1939, 285-87), doch dit is niet zeer waarschijnlijk, aangezien er sprake is van „vellen” van geslachte dieren (wat in P pas na cp 9 voorkomt). In elk geval vertoont dit vs een zekere tegenspraak met 3,7b, waar de mensen zich zelf gordels van vijgeblaren maken. Anderzijds komt dit vs overeen met 2,25, want Jehovah bedoelt de naaktheid van de gevallen stamouders te bedekken. Het goddelijk gebaar is uiterst eenvoudig, geladen met hesed of chesed (vaderlijke pieteit of liefdevolle goedheid). Sommige rabbijnen lazen ‘ör, „licht”, i.p.v. (`ör, „vel”).

22. Dit vs is geen restant van een „mythe van Eden”, en het heeft zijn volledige zin slechts in verband met het gehele voorgaande verhaal (zie H. Bergema, De boom des levens in Schrift en Historie, 1938,166-75). In de woorden „als één van ons” (bezwaarlijk „als één van hem”, zoals Coppens voorstelt, daar hij in hetzelfde halfvers Adam als eigennaam in het onderwerp, en als soortnaam in de suffix mimmennü opvat; men kan geen bewijsgrond zien in 5,2) moet men geen toespeling zien op de hofstaat der engelen (28,12: de Jakobsladder; Gn6,1; 18,2; 19,1; 32,2), maar (zoals in 1,26) een „plurale maiestatis” of „intensitatis” (Van Imschoot). De formule is niet sarkastisch (aldus Lagrange, Procksch; reeds Ambrosins, De Elia 8, in PL 14/701), alsof God de spot dreef met de mislukte poging van de mens om in de goddelijke sfeer binnen ie dringen; het gaat eerder om de uiteindelijke bevestiging van Gods inzicht in de “kennis van goed en kwaad“. Ten opzichte van deze kennis (leda’at) treedt de mens eindelijk haar Scheppers standpunt bij: door bittere ervaring weet hij nu wat Jehovah bedoelde, en zo is hij dichter bij Gods wijze inzicht genaderd. De straf van 2,17 kan bijgevolg niet uitblijven; de zondige mens zal worden afgesneden van de toegang tot de levensboom.

Als het partikel gam de betekenis heeft van „nog verder”, „nog iets”, eerder dan van „bovendien nog”, dan moet men aannemen dat de mens reeds vóór de zondeval van de levensboomvrucht gegeten heeft (vgl. het ambrozijn der Grieken, het a-mr-ta of onsterfelïjkheidsspijs in het sanskriet); aldus H. Th. Obbink, The Tree of Life in Eden (ZAW 46, 1928, 105-12). Het voegwoord pen, dat de elliptische hoofdzin inleidt (vgl. 19,19; 38,11; Ex 13,17), duidt niet op vrees of afgunst bij God („als de mens nu maar zijn hand niet uitstrekt”), en evenmin op medelijden (de onsterfelijkheid van een ongelukkige zou vreselijk zijn: Procksch), maar op een autoritair ingrijpen van Jehovah („Ik wil verhinderen dat…”). Het voegwoord pen wordt vaak gebruikt om een proces dat reeds aan de gang is, te remmen (Ex 1,7;1Sm 13,19); de mens mag niet meer voortgaan met het eten van de levensboomvrucht, want zijn straf bestaat juist in het achterwege blijven van de goddelijke gunst om „niet te moeten sterven” (Wïjsh 2,23)

Lit.; J. Coppens, Ecce Adam quasi unus ex nobis foetus est (Gen. III, 22) (ETL 20, 1943, 56-60).

23. De toon van dit vs verraadt zeker geen afgunst of vrees bij Jehovah, maar integendeel het vast besluit om het vonnis (vgl. vs 17 en 19a) ten uitvoer te leggen. Het bebouwen van de grond (‘adamah} is veel zwaarder dan het lichte hovenierswerk in de tuin.

Een cherub volgens de traditioneel-christelijke iconografie. – Cherubs komen 91 keer voor in de Hebreeuwse Bijbel. –

24. Dit vs — geen doublet van vs 23 — legt uit hoe de verdrijving uit de tuin bestendigd wordt, nl. door het aanstellen, ten oosten van Eden (Vg: ante paradisum, ,voor de ingang van de tuin”; de LXX leest: „Jahweh verdreef Adam, en liet hem wonen ten oosten van Eden”), van de keroebs. Deze term gaat terug op de akkadische karibu (monsters met stierenlijven, half mens, half dier, die bij poorten opgericht werden; sumerisch: kir-rib, „gestalte vol schittering”). Men kan denken aan de Egyptische sfinksen, of aan de „schorpioenen” uit het Gilgamesj-epos, die de verafgelegen MaSu-berg bewaken. In de Hebreeuwse traditie verzinnebeelden de keroebs — bovenop de verbondsark (1Kg 6,23-27), – de stormachtige wolkenhemel (Ex 25,22; 37,6-9; 1Sm 4,4; 2Sm 6,2; 2Kg 19,15; Is 19,1; 37,16; Ps 18,n; 80,2; 99,1; Ez 41,18). Het wapen van de keroebs is „de vlam van het wentelende zwaard”, d.i. de bliksem (Jr47,6; vgl. de banbliksem van Hadad bij de Assyriërs) ; het zwaard symboliseert vaak Gods toorn (Is 34, 5; Jr 46,10; Ez 21,15-22; Soph 2,12). Omdat heel wat elementen van deze beschrijving der keroebs naar het uitspansel schijnen te wijzen (wolken, bliksem), veronderstelt men soms dat het paradijs in dit vs gelocaliseerd wordt in de hemel (vgl. Ez 28,14.16; 10,1. 4; aldus Coppens).

Lit.: P. Dhorme et H. Vincent, Les Ché-rubïns (RB 35,1926, 328-58; 481-95).

+

Voorgaande

Bereshith 3:1-5 De grote misleiding

Bereshith 3:1-6 Het bedrog

Bereshith 3:7-13 De Zondeval

Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis

Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 2de vonnis

Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – In het zweet des aanschijns

++

Aansluitend

  1. Het schrijven van de Pentateuch
  2. Sfinx (mythologie)
  3. Cherub, cherubim, cherubijn of kerub: mythisch wezen dat is samengesteld uit een combinatie van verschillende andere levensvormen, vaak een gevleugelde leeuw, adelaar of stier met een mensengezicht, vergelijkbaar met de Egyptische of Griekse sfinx en de Mesopotamische karibu.
  4. Gedachte voor 2 januari 2018

+++

Gerelateerd

  1. Waar ontstonden de eerste mensen?
  2. Stamt al het leven af van één gemeenschappelijke voorouder?
  3. Hoe is de mens in feite gekomen tot wat we zijn vrijheid noemen, dat wil zeggen zijn mogelijkheid om te onderscheiden tussen goed en kwaad, om in vrijheid het goede of ook het kwade te doen? (2 – slot)
  4. Glo jy die leuens van Satan of die Waarheid van God?
  5. Angst klopte op de deur…
  6. Les 5 zonde en schuld
  7. Film Review: Mother! (2017)
  8. Perspectief na de zondeval
  9. Greed greed greed
  10. Last & zonde
  11. De erfzonde van Europa
  12. Mag de Bijbel vrouwen denigreren?
  13. Ontdekking
Advertenties

Een gedachte over “Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft + Cherubs en verjaging uit de Gan Eden”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.