Bijbelstudie, Geschiedenis, Levenskwesties, Mensdom

Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis

In het voorgaande artikel zagen wij hoe de man de vrouw die God bij hem had geplaatst beschuldigde van hem van de boom gegeven te hebben. Zij verdedigde zich door de slang te beschuldigen van haar in verleiding gebracht te hebben waarop zij van de vrucht had gegeten.

14 Toen zei Jahweh God tot de slang: ,,Omdat gij dit gedaan hebt:

Wees vervloekt, uitgebannen van alle tamme dieren en alle wilde beesten! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij vreten, levenslang!

Gods vonnis over de zonde volgt de ont­staansorde van de zonde zelf. Eerst wordt (vss 14v) de slang vervloekt; daarna wordt de straf over de vrouw uitgesproken (vs 16); en ten slotte wordt de mens (de man) ge­oordeeld (vss 17.19). Op het einde van deze passage worden nog enkele gevolgen van het vonnis vermeld, o.m. de bestendiging in de loop der geslachten (vs 20), de uitsluiting uit het paradijs en het verlies van de levens­boom (vss 22-24). Vs 21 komt mogelijk uit een ande­re traditie.

In vers 14 krijgen wij eerst het vonnis over de slang, het beeld van de machtige verleider of verleidster. Men kan bezwaarlijk uit de tekst halen dat, in de ogen van de hagiograaf, een echt dier als werktuig van de bekoorder op­treedt, evenmin als dat er bij de vrouw een hallucinatie in het spel is; onder het zinnebeeld van de slang wordt volgens bepaalde theologen eigenlijk de afgoderij van de kanaänitische natuurgodsdienst bedoeld. Het vonnis is persoonlijk (de term ,,vervloekt” is zeer sterk; vgl. 4,11; 5,29f 12,3; Jr 9,28) de persoonlijke bekoorder wordt aan de verachting prijsgegeven. Doch anderzijds houdt de gewijde schrijver rekening met het dier, dat als symbool ( louter als ,,allegorie”, zoals Philo, Leg. alleg.II, 71 meende) gekozen werd.

,,Op de buik gaan”

voor de slang, veronderstelt een vroegere rechtop gerichte gang (vgl. Gen. XLX, i; Luther: ,,wie ein Hahn”), tenzij men, evenals voor de ,,doornen en distels” van vs 18 of voor de regenboog (9,13), aan­neemt dat de natuurlijke wijze van zich voort te bewegen als een afschuwwekkende straf werd beschouwd (Lv 1142). De uitdruk­king ,,stof vreten” is met opzet dubbelzinnig gehouden; ze geldt vanzelfsprekend voor de fysieke slang (Is 65,25), maar betekent ook ,,in het stof bijten”, ,,het onderspit delven’» van personen (Is 49,23; Mich 7,17; Ps 72, 9; Amarnabrieven nr 100, 35v). Misschien spreekt ook de idee mee, dat stof het voedsel van de onderwereld uitmaakt: wie dat voed­sel gebruikt, wordt herleid tot een schim in het oude dodenrijk.

15 Vijandschap zal Ik stellen tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en haar kroost,
Dit zal u belagen aan de kop,
maar gij zult het belagen aan de hiel!”

File:William Blake, The Temptation and Fall of Eve.JPG
The Temptation and Fall of Eve – illustration to Milton’s ‘Paradise Lost’ (1808, pen and watercolour on paper) by William Blake:

De context van dit vs (het zoge­naamde ,,proto-evangelie”) is veel te ernstig en te tragisch dan dat er sprake zou zijn van een ,,dierensprookje, om de afschuw voor slangen te verklaren” (Gunkel). Jahweh/Jehovah zelf neemt het initiatief om een dodelijke vete (vgl. Nm 35,21; Openb 12,17), als tussen ,,eeuwige vijanden” (Ez 25,15; 35, 5), te doen ontstaan tussen de tegen God gekeerde macht enerzijds en het menselijk geslacht anderzijds (dit laatste was in de vrouw anticipatief aanwezig). De term ha’issãh kan niet slaan op een onbekende, maar toch goed bepaalde vrouw (als in Is 7, ‘4; Mich 5,2) of op alle vrouwen (eventueel bij uitstek op ‘O.L.Vrouw’), maar kan alleen gelden van de gezellin van de ,,mens” (vgl. V55 3,1.2.4.6.12.13 en 3,16.20.21). In anti­thetisch-typische zin kan men ,,de vrouw” als een voorafbeelding zien van Maria/Miriam, ,,de tweede Eva” bij de kerkvaders sinds de 2e eeuw; anderzijds is de ,,mariologische” verklaring van dit vs bij zeer veel kerkvaders der eerste eeuwen onbekend. F. L. Drewniak (Die mariologische Deutung von Gen 115, Breslau 1934) heeft de afwezigheid van die opvatting geconstateerd bij Basilius, Grego­rius van Nazianze en Chrysostomus bij de Grieken, en bij Ambrosius, Augustinus, Hieronymus en Gregorius de Grote bij de Latijnen. Het begrip »kroost” (eig.: “zera” ,,zaad“; voor planten reeds in 1,12) kan zo­wel collectief 13,15; 17,7; 22,17; vooral voor zedelijk gelijkgezinden: Is 1,4; 61,9; Dn13,56; 1Makk 2,62) als indivi­dueel zijn (4,25; 21,13; 1Sm 1,11; 2Sm 7,12; Is 59,21; Mt 22,25; Ga 3,16). Voor de slang omvat het kroost alle slangen – op het inkledingsniveau van het dier -, ofwel alle boze tegenstanders (niet de boze mensen, als in Jo 8,44; 13,38; Act 1,10; Mt 3,7; 23,33). Feitelijk vallen de »slang” en het ,,zaad van de slang» samen, vermits de individuele slang op het einde van het vers opnieuw de plaats inneemt van haar ,,zaad“; het ,,zaad” voert klaarblijkelijk een versoepeling van het slangensymbool in, in deze zin dat de slang maar ééns kan vertreden worden, terwijl de vijandschap eeuwigdurend zal zijn. Het ,,kroost” van de ,,vrouw” is eveneens vooral collectief (het ,,zaad van de vrouw” is het zwakke mensengeslacht); het gaat om alle mensen, en niet alleen om alle goede mensen (zoals in Tg van Ps-Jonathan: »de Messias en de zijnen”; vgl. Rom 16,20; Openb 12,17: Christus en zijn mystiek Li­chaam). Het ,,zaad” kan echter ook indivi­dueel opgevat worden (Gal 3,16 = Gn 17, 7). Terwijl meestal het collectieve kroost met het mv. geconstrueerd wordt (15,13; 24, 6o), staat zera’ hier met het enk. (LXX leest avroç, ofschoon ,,zaad”, neutrum is). Post factum bestaat er voor het christelijk bewustzijn geen twijfel over, dat het proto-­evangelie in Christus ,,vervuld” werd (Gal 44; Mt3,7; 12,29; Jo 12,31; 1Jo 3,8). In feite liggen de twee interpretaties van ,,zaad” (de collectieve en de individuele) niet zo ver uit elkaar: de individuele nako­meling vormt met het collectief kroost één ,,corporatieve persoonlijkheid’» (J. de Fraine Adam et son lignage. Etudes sur la notion de ,,personnalité corporative” dans la Bible, Brugge 1959): hij is individueel, maar om­vat de volledige groep der nakomelingen. Het ,,zaad van de vrouw” (in MT is het pronominaal suffix mannelijk; de lezing ipsa van Vg is te wijten aan de traditie over Maria, de rechtvaardige bij uitstek onder de kinderen der ,,vrouw”) ,,belaagt” de slang aan de kop (het belangrijkste deel). In plaats van ,,belagen” (,,loeren naar”) zou men misschien kunnen vertalen: ,,vertre­den” (i.p.v. süf = sa’af, insidiari Vg, neemt men dan ~süf-sa’af opvatten als het “snappen naar” (Jr 2,24; 14,6; Job 5,5; Ps 56,2), zodat men praktisch terugvalt op de betekenis “belagen”.

Het is opmerkenswaardig hoe de termen aangepast zijn, zowel aan de symboliek van het dier, als aan de persoonlijke boze macht, waar het symbool uiteindelijk op slaat: het feit dat het kroost van de vrouw de kop van de slang aanvalt, doet denken aan de bekende beeldspraak voor een totale overwinning “de voeten op de nek plaatsen” (Jr 10,24; Ps 110,1)

De vermelding van de hiel van de vrouw roept de kruiperigheid van de slang in het geheugen. Aangezien Jehovah zelf de kamp instelt met het doel om de slang te straffen, is de nederlaag van de antigodelijke macht van te voren zeker (in die zin is het algemeen heilsmessianisme in kiem aanwezig); er is niet enkel sprake van een nooit eindi­gende en eeuwig onbesliste kamp op leven en dood, tussen de macht van de ‘duivel’ of ‘tegenstander van God’ en de ‘massa damnata’ der mensen.

*

Lit.: P. Joüon, Le Grand Dragon, I’An­cien Serpent. Apoc. 12,9 et Gen. 114 (Rech. Sc. Relig. 17, 1927, 444vv).

Lit.: A. Schulz, Nachiese zu Gen 3,15 (BZ 24, 1939,434-56); T. Gallus, Interpre­tatio mariologica Proto-evanmelii (Gen 3, 15) tempore postpatristico uiqae ad Conci­lium Tridentinum (Rome 1949.); J. Michi, Der Weibessame (Gen 115) in spätjüdi­scher und frühchristlicher Auffassung (Bb 33, 1952, 371-401; 476-505); D. J. Unger, The First Gospel (Gen. 3,15) (New York 1954; vgl. pp. 325-55: een opsomming van 334 titels met publicaties over dit vs, tussen de jaren 1840 en 1951); M. Brunec, Dç sensu Proto-evangelii Gn 3,5 (VD 36, 18 193-220; 321-37); J. Haspecker,Die frohe Botschaft von der kommenden Erlôsung (Bibel und Kirche 15, 1960, 98-lol); J Haspecker en N. Lohfink ,,WeiI da ihm nach der Ferse schnappst” (Scholastik 36, 1961, 357-72),

+

Voorgaande

Bereshith 3:1-5 De grote misleiding

Bereshith 3:1-6 Het bedrog

Bereshith 3:7-13 De Zondeval

+++

Gerelateerd:

  1. Dag 3 – Tuin van Eden
  2. De hof van Eden
  3. Glo jy die leuens van Satan of die Waarheid van God?
  4. Perspectief na de zondeval
  5. Vijandschap
  6. De kop van de slang verbrijzeld
  7. Waarom laat God dit toe?
Advertenties

4 gedachten over “Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.