Elohim Hashem Jehovah, Geschiedenis, Levenskwesties, Mensdom

Bereshith 2:15-25 De mens geplaatst in de tuin van Eden

Moshe vertelt hoe de Bore ook over gaat tot het creëren van een schepsel dat in Zijn gelijkenis of naar Zijn beeltenis is. Demut Elohim, naar de gelijkheid van de Elohim, in de mogelijkheid zijnde om vele van Zijn eigenschappen ook te mogen dragen of ‘hebben’. God, in tegenstelling tot de andere schepselen, gaf nu dit mannelijk wezen eigenheden van Zichzelf mee. Zoals God niet kan sterven hoefde de mens ook niet te sterven, maar daartoe moest hij voldoen aan de eisen van Zijn Allerhoogste Uitzonderlijkste Maker.

Nederlands: 'Mens en Techniek': beeld door A. ...
‘Mens en Techniek’: beeld door A. Ducro (1956) in natuursteen.  (Photo credit: Wikipedia)

Afkomstig uit de ‘adâmâh wordt de mens geplaatst in de Gan om deze als een hovenier en bewaarder te bewerken. Niet om zware arbeid te doen die belastend zou zijn, maar om niet belastende lichte arbeid te verrichten in de goed-bevloede en vruchtbare bodem van de tuin. Al de bezigheden van de mens zouden geen last zijn maar een aangename bezigheid, waarbij de mens als het ware ook een nuttigheid kon ondervinden.

Genesis 2:15: Toen nam Jahweh God de mens, en plaatste hem in de tuin van Eden, om die te bewerken en te onderhouden. (BvhOT)

Dat instaan voor het onderhoud moet eerder als een gunst aanschouwd worden. De man kreeg het recht om de Koninklijke Tuin te onderhouden, het is te zeggen in goede staat te bewaren. Alsook kreeg hij het recht om de vele dingen te benoemen. Deze rechten plaatste de mens in een hogere positie dan de andere schepsels (dieren en planten).

Bij de opdrachtgave komt ook een verbod of negatief gebod. Dit kan gezien worden als de Wil van God om met de mens een verbond aan te gaan. Een brit (verbond of afspraak) dat zou getuigen dat men in overeenstemming is en zich akkoord verklaard met de afspraken en zich daar ook aan wil houden. Bij de schepping is er voorzien dat alles zo mooi en glorieus kan blijven. Dit toch indien als alles verloopt zoals het moet verlopen en iedereen zich aan de afspraken zou houden. God openbaart aan de mens zichzelf en duidt op de mogelijkheid van een sterfelijkheid van de mens. Hij waarschuwt namelijk de mens dat indien hij van een bepaalde boom zou eten dit terstond dood over hem zou brengen. (mottamut)

16 En Jahweh God gaf de mens het bevel: ,,Van al het geboomte uit de tuin moogt gij Vrij eten, 17 maar van de boom der kennis van goed en kwaad: daarvan moogt gij niet eten; want de dag dat gij daarvan eet, zult gij Vast en zeker sterven”. (BvhOT)

De vertaling ,,vast en zeker sterven” (vgl. #1Ki 2.37) beperkt zich, noodgedwongen, tot één betekenis van de uitdrukking möt tâmüt. Deze Hebreeuwse constructie (infin. absolutus + eindige werkwoordvorm) kan immers nog een andere betekenis hebben (zoals de bekoorder in 3,4 insinueert), nl. ,,dadelijk, terstond sterven”. {loʼ-mōthʹ temoe·thoen: Lett.: „zult gij [mv.] niet stervend sterven”}{Bij het stervend sterven wordt bedoeld dat men zou voelen dat men stervende is of zal afzien bij het sterven.}

Hier komen wij te horen over de sterfelijkheid, die de mens te beurt zal vallen op de dag zelf (vgl. #Ex 10,28) dat hij van de boom van kennis zal eten; zodra de mens immers het ,,kwaad na het goed” zal kennen (door de zondeval), zal hij het onverdiende voorrecht verliezen om te ,,kunnen niet sterven”. Door de eigen keuze, in te gaan op de verleiding, en er toe over te gaan om te eten van de Etz HaChayyim (Boom van leven) en van de Etz HaDa’as Tov v’Rah (Boom van moraal) kwam de mens er toe om voor zich zelf en zijn nakomelingen de kennis maar dan ook het gebeuren en gevolgen van kennis van goed en kwaad over zich heen te brengen.

De zwaarte van de aangekondigde straf [de fysieke dood: (#Ge 3.17,19), maar als zinnebeeld van de geestelijke dood der zonde] weerlegt ten duidelijkste de opinie van diegenen die beweren dat de gewijde schrijver aan twee moreel-onvolwassen kinderen denkt (aldus Humbert).

*

Lit.: A. van Hoonacker, Connexion of Death wiM Sin According to Genesis 11-111 (The Expositor 1915, VuIl9, 131-43); A. Schulz, Der Sinn des Todes im AT (1919); W. Goossens, L’immortalité corporelle dans Gen. II (ETL 12,1935, 722-42; vgl. DBS III, 299vv) ; W. Voliborn, Das Pro blem des Todes in Gen. 2-3 (ThLZ 77, 1952, 709-14).

+

Voorgaande

Voorziening van leven

Bereshith 2:4-14 Adem en leven plaatsing door de Elohim God

Terugblikkend op de eerste mens en eerste gebeurtenissen 1 Ontstaan en plaatsing eerste mens

Terugblikkend op de eerste mens en eerste gebeurtenissen 2 Daad van ongehoorzaamheid eerste mens

Keuze van levende zielen tot de dood

++

Aanvullend

  1. Schepper en Blogger God 2 Beeld en gelijkenis
  2. Leven gedefinieerd door de dood
  3. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel
  4. Onsterfelijkheid
  5. Al of niet onsterfelijkheid
  6. Wat gebeurt er als wij sterven
  7. Wij zijn sterfelijk en zullen tot stof vergaan
  8. Ontbinding
  9. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding

+++

Verdere lectuur

    1. Adam en Eva
    2. Zondeval
    3. Geen paradijs
    4. Keer terug naar het leven!

+++

Advertenties

1 thought on “Bereshith 2:15-25 De mens geplaatst in de tuin van Eden”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s