Dierenrijk, Elohim Hashem Jehovah, Levenskwesties, Mensdom, Plantenrijk, Universum (Ruimte)

Bereshith 2:4-14 Adem en leven plaatsing door de Elohim God

Na het eerste hoofdstuk waarin Moshe iedereen tracht te overtuigen dat alles door de Allerhoogste Elohim gemaakt is neemt hij een kijk op de lotgevallen van die wezens die in zekere zin op een speciale wijze gemaakt zijn, doordat zij in de gelijkenis of evenbeeld van Hem zijn geschapen.

Genesis1

Genesis-1-2

Moshe overloopt hiervoor nog eens de geschiedenis van de tijden dat de Eeuwige God aarde en hemel maakte en levende wezens geschapen werden.

Bereshith 2: 4a Dit is de ontstaansgeschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij ge­schapen werden.

4b Toen Jahweh God de aarde en de hemel gemaakt had, 5 bestond er op de aarde nog geen enkele struik in het wild en ontsproot er geen enkel gewas van het veld, want Jahweh God had het niet laten regenen op de aarde, en er was geen mens om de grond te bebouwen, 6 en om water op te halen uit de aarde en de gehele aardbodem te bevloeien. {BvhOT Genesis 2:4-6}

In dit hoofdstuk is er helemaal geen vermelding meer van “op de dag dat” maar wel de Jehovah de God (bij uitstek) die verantwoordelijk is voor al datgene wat wij rondom ons kunnen zien. Hij is de Eeuwige die alle schepselen zullen moeten komen te vrezen, dit wil zeggen respectvol behandelen, wat voor het ogenblik nog niet gebeurt.

“Gij echter en uwe dienaren — ik weet, dat gij nog niet vreest voor den Eeuwige, God.” (Exodus 9:30 Onderwijzer_Pentateuch)

Moshe doorheen zijn werk heeft het over “Jehovah van de hemelse wezens”, de “Allerhoogste Elohim Bore“. Ook in latere werken maken sommig schrijvers duidelijk over welke godheid zij het hebben, mits er doorheen de tijden meerdere godheden door mensen bedacht zijn. Om  misverstanden te vermijden en om er zeker van te zijn dat men zou weten dat het over de Bore gaat die de God boven alle goden is gebruiken zij dikwijls de verbinding “Jehovah Elohim” of “Jehovah God” in sommige Bijbelvertaling weergegeven als de “Here Here God” of “Heere God”.

“Toen kwam de koning David in, en bleef {22} voor het aangezicht {23} des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, {24} HEERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe {25} gebracht hebt?” (1 Kronieken 17:16 STV)

“En David zeide tot zijn zoon Salomo: Wees sterk, en heb goeden moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want de HEERE God, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk tot den dienst van het huis des HEEREN zult volbracht hebben.” (1 Kronieken 28:20 STV)

“Nu, HEERE God, laat Uw woord waar worden, [gedaan] aan mijn vader David; want Gij hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof {15} der aarde;” (2 Kronieken 1:9 STV)

“En nu, HEERE God, maak U op tot Uw rust, {42} Gij en de ark Uwer kracht; {43} laat Uw priesters, HEERE God, met heil {44} bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten {45} over het goede {46} blijde zijn.” (2 Kronieken 6:41 STV)

“En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, {38} Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, {39} want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God. {40}” (2 Kronieken 26:18 STV)

In dit hoofdstuk hebben hemel en aarde niets meer te maken met het totaliteitsbegrip “heelal“, maar gaat het om de plaats waar God aarde (of stof) neemt, namelijk Aphar ha’aretz om een beeld te boetseren en er dan Nishmat chayyim of Levensadem in te blazen, waardoor er een levend wezen [Nefesh chayyah (levende ziel), ]ontstaat dat wij zo graag in het middelpunt van die schepping zien staan. Merk op dat de mens ontstaat uit het “fijne stof van de grond” terwijl de dieren eenvoudig “uit de grond” genomen zijn (vers 19). Dit verschil tussen mens en dier sugge­reert misschien een verschil in waardigheid. Men kan volgens sommigen de term ‘ãfãr bezwaarlijk vertalen door ,,leem” of ,,slijk” (dit is eerder bömer, als in 11,3; Job 33,6; 38,14), ook niet op grond van 1Kg 18,38 (waar ãfãr wellicht de ,,vochtige aarde” betekent). Het beeld van de ,,vorming” (ww. jãsar, als in Is 45,7; Jr 1,5) is dat van de pottenbakker (Jr 18,2; Is 45,9; Sir 33,13v Vg); het verzinnebeeldt de afhankelijkheid van de zwakke aardling tegenover de soevereine God (Is 29,16; 45, 9; 64,8; Wijsh 15,7; Rom 9,20) en mis­schien ook de stoffelijke constitutie van de mens (18,27; Ps 90,3; 103,14), waardoor zijn vergankelijkheid (iKor 15,47) en zijn natuurlijk onvermogen tot uiting komen (3,19b; Pred 3,20; 12,7; Sir 10,9; 17,1 ; 33,10; Ps 104.29; Job 34.15). {BvhOT}

7 Toen vormde Jahweh God de mens van stof van de grond, en blies hem levensadem in de neus; daardoor werd de mens een levend wezen. 8 Daarna plantte Jahweh God een tuin in Eden, in het oosten, en zette daarin de mens die Hij gevormd had. 9 Jahweh God liet uit de grond allerlei geboomte ontspruiten, ver­leidelijk om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens midden in de tuin, en de boom der kennis van goed en kwaad. {BvhOT Genesis 2:7-9}

Het ont­breken van plantengroei, van vochtigheid en van kunstmatige bevloeiing, wordt nu (in dit hoofdstuk) door Jehovah weggenomen door de schepping van de mens (vs 7), van de planten (vss 8v) en van een overvloed van water (vss 10-14).

Genesis 2:10-14: 10 Uit Eden komt een rivier om de tuin te bevloeien; daar splitst zij zich in vier armen. 11  De naam van de eerste is de Pisjon; deze is het die om het gehele land van Chawila heenstroomt, waar het goud is; 12 het goud van dat land is fijn; daar vindt men ook balsemhars en kostbaar gesteente. 13 De naam van de tweede rivier is de Gichon; deze is het die om het gehele land Koesj heenstroomt. 14 De naam van de derde is de Chiddekel; deze is het die ten oosten van Assjoer loopt. En de vierde rivier: dat is de Perath.{BvhOT Genesis 2:10-14}

Het woord voor ,,tuin” (gan) is van su­merische oorsprong (edin) en betekent ,,een met graan, groenten of bomen bedekt terrein”, zoals men ook ‘edinnu’ of “brede vlakte” heeft en spreekt van bit-edinnu voor “brede vlakte” [vgl. de landstreek bit-edinnu: Is 37:12; 2Kg 19:12) of zelfs van het sumerische edin (,,vruchtbare, al of niet bebouwde grond”] . De volledige uitdrukking Gan Eden of ,,een tuin in Eden” of “hof van Eden” wijst dus op een speciaal door God zelf (als een grote Heer) aangelegde tuin (,,tuin van God”: Ge 13:10; Is 51:3; 31:8,16,18; 36:35), waarin de aardse ,,mens” door een onverdiende gunst wordt ondergebracht (#Ge 2:15). Met miqqedern (,,in het Oosten”) wordt een onbepaalde verafgelegen plaats bedoeld (vgl de godenberg in het hoge Noorden: Ps 48:2; Is 14,13; EZ 28,13v); de Vg-vertaling a principio (Aquila dzò Jexpev) komt overeen met de joodse over­levering, die het paradijs (voor deze perzi­sche term pairi-daeza, ,,omheind park”, zie Neh2,7; H91 4,13; Pied 2,5; Est 1:,5; Xe­nofon, Cyrop. 1,3) als één der zeven oor­spronkelijk geschapen dingen beschouwde (Pesjn 54a; 4Esd 3,6; 4,7v).

In het van stof of leem gemaakte evenbeeld van God werd door de Maker in de neus levensadem geblazen waardoor de mens een bezield wezen werd.

De ,,levens­adem” (hier nesmah; vgl. 7,22; Dt 20,16; Jos 10,40; Is 42,5; soms op God toegepast: Is 30,33) wordt waargenomen in de trillen­de neusvleugels (Is 2,22; Job 37,3); het is God zelf, die hem inblaast (Job 33,4; 34, 14; Ps 36,10).

“Al {35} wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten [had], van alles wat op het droge was, {36} is gestorven.” (Genesis 7:22 STV)

“Maar van de steden dezer volken, die u de HEERE, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft. {9}” (Deuteronomium 20:16 STV)

“Alzo sloeg Jozua {38} het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, {39} gelijk als de HEERE, {40} de God Israëls, geboden had.” (Jozua 10:40 STV)

“Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve {18} uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, {19} en wat daaruit {20} voortkomt; Die den volke, [dat] daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, {21} die daarop wandelen:” (Jesaja 42:5 STV)

“Laat gijlieden {51} [dan] af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin {52} is hij te achten?” (Jesaja 2:22 STV)

“De Geest Gods {6} heeft mij gemaakt, en de adem {7} des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.” (Job 33:4 STV)

“Indien Hij Zijn hart {24} tegen hem zette, {25} Zijn geest {26} en Zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;” (Job 34:14 STV)

“(36-11) Strek {14} Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid {15} over de oprechten van hart.” (Psalmen 36:10 STV)

Het is dankzij dat God ons met levensadem voorziet dat wij leven. Zodra er geen levensadem meer is zijn wij ten dode opgeschreven.

Opvallend in de gespreksvoering in de Gan Eden is dat de mens, zoals hij hier naar zijn vorming beschreven wordt, door God vertrouwelijk aangesproken wordt (Vs 16), wat schijnt te duiden op een meer intieme persoonlijke verhouding, en dus op een bevoorrechte (bovennatuurlijke?) posi­tie.

“En de HEERE God gebood {37} den mens, {38} zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk {39} eten;” (Genesis 2:16 STV)

COLLECTIE TROPENMUSEUM Portret van een man en ...
Een man en een vrouw met levensadem in zich – Portret van een man en een vrouw met gongstandaard honden en een aap in de tuin TMnr 60039080 (Foto credit: Wikipedia)

Uit hetgeen in het eerste hoofdstuk van de Bereshith wordt geschreven en hier ook volgt is duidelijk dat de hier in het oog gevatte ,,mens” niet beschouwd wordt als een louter individuele figuur, maar dat hij een ,,corporatieve persoonlijkheid” vormt, d.i. een individu, dat voortleeft in een groep die in hem inchoatief aanwezig is en ook een opdracht van de Elohim heeft mee gekregen. Het ligt voor de hand dat het onverant­woord is, uit dit vs enige conclusie te trek­ken omtrent het ontstaan van de eerste men­sen (hetzij door evolutie uit dierlijke voor­gangers, hetzij door een fixistische schep­pingsdaad); de gewijde schrijver bedoelt immers niet een biologisch probleem op te lossen, maar eenvoudig de religieuse afhan­kelijkheid van elke mens tegenover God te affirmeren.

*

[Lit.: J. de Frame, La Bible et l’Origine de l’Homme (Brugge 1961); Th. Schweg­ier, Um die Herkunft des Menschenleibes (Schweizer Rundschau 44, 1944, 634vv); P. Hermand, Les Origines de l’Homme (Re­vue thomiste 57, 1957, 129-88).]

+

Voorgaande

Het begin van alles

Terugblikkend op de eerste mens en eerste gebeurtenissen 1 Ontstaan en plaatsing eerste mens

De Schepper achter eerste levende wezens

++

Aanvullende lectuur

  1. De Wereld tot stand gekomen door het Woord van God
  2. Schepper en Blogger God 1 Leegte en Beweging
  3. 2de vraag: Wat of waar is het begin
  4. Schepper en Blogger God 2 Beeld en gelijkenis
  5. Eerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 1 Mens geplaatst in wereld van groen en andere levende wezens
  6. Gods vergeten Woord 10 Schepping 2 Schepper en Schepping

+++

Verdere lectuur

  1. Genesis – Overzicht
  2. Genesis 1 – De Schepping van Hemel en Aarde
  3. Preek ‘schepping en evolutie’ ofwel: Genesis 1 lezen
  4. Terug naar Genesis
  5. Pseudotaalwetenschap in actie (3): De Chinese taal bewijst het creationisme
  6. Hij gebiedt en ‘t is er
  7. Godmade
  8. Genesis 2
  9. Genesis 2 Stellingen
  10. De oproep van de groene wereld
  11. Het ontstaan van Genesis

+++

Advertenties

5 gedachten over “Bereshith 2:4-14 Adem en leven plaatsing door de Elohim God”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.